Belastingdienst: geërfde lijfrentepolis van vóór 1992 naar de bank kost je het hele oude regime
In dit artikel:
Erfgenamen die na het overlijden van een ouder of partner een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule van vóór 1 januari 1992 ontvangen, kunnen het vrijgevallen bedrag niet onderbrengen in een bancaire nabestaandenlijfrente. Dat volgt uit het op 15 oktober gepubliceerde standpunt KG:070:2026:7 van de Kennisgroep Verzekeringsproducten en assurantiebelasting.
Een bancaire nabestaandenlijfrente is volgens de Belastingdienst alleen mogelijk wanneer de overledene rekeninghouder was van een bancaire lijfrenterekening of een lijfrentebeleggingsrecht. Bij een oude verzekering bij een verzekeraar is daarvan geen sprake. De begunstigde kan het bedrag wel gebruiken voor een direct ingaande oudedagslijfrente op de eigen naam, maar daarmee vervalt het gunstige Pre Brede Herwaarderingsregime volledig en onherroepelijk. Bijzondere oude mogelijkheden, zoals schenken of afkopen onder ruimere voorwaarden, gaan dan verloren.
Voor begunstigden die de AOW-leeftijd nog niet hebben bereikt, gelden bovendien lange minimale looptijden. Een tijdelijke oudedagslijfrente kan doorgaans pas ingaan vanaf het kalenderjaar waarin de AOW-leeftijd wordt bereikt. Bij eerdere ingang moet de uitkering minstens twintig jaar lopen, vermeerderd met het aantal jaren tot de AOW-leeftijd. Een vijftigjarige met een AOW-leeftijd van 67 jaar zou daardoor bijvoorbeeld minimaal 37 jaar moeten laten uitkeren.
De begunstigde moet de lijfrentetermijnen uiterlijk op 31 december van het tweede jaar na het jaar van overlijden vastleggen. Bij een overlijden in 2024 is de uiterste datum 31 december 2026. De Belastingdienst adviseert daarom vóór een waardeoverdracht te controleren of de polis vóór 1992 is afgesloten en een offerte van een verzekeraar te vergelijken met die van een bank.
Vandaag Inside: Tina Nijkamp: 'Lale Gül is boos op mij en Valentijn Driessen!'